Een prachtige kust en een fantastisch, groen, bergachtig achterland, op korte afstand van elkaar. Dat is in een notendop de beste reden waarom je moet gaan wandelen in Asturië, de regio aan Atlantische kust van Spanje. Te voet kom je op de mooiste plekken. Wandel Magazine verkent twee beschermde gebieden in het binnenland, waar je eindeloos kunt lopen en genieten van de rijke natuur. Op pad in Parque Natural de Redes en Parque Natural Las Ubiñas-La Mesa.
TEKST: PAUL VAN BODENGRAVEN | FOTO’S: MARCO BARTEN
Via een middeleeuwse boogbrug steken we de Nalón-rivier over. Een hoog, hobbelig wegdek, overdekt met mos en groene plantjes die tussen de stenen tevoorschijn komen. Het mag duidelijk zijn dat hier al een tijdje geen verkeer overheen is gekomen. En dat is maar goed ook, want zo blijft dit staaltje van Romaanse bouwkunst tenminste behouden.
Parque Natural de Redes
Onze wandeling is begonnen in het dorpje Campo de Caso. Het is maar een paar honderd meter voor we vanuit de bewoonde wereld de stilte van Parque Natural de Redes, een van de zeven UNESCO biosfeerreservaten in de regio Asturië, induiken. Het is een van de kleinere, minder bekende natuurparken, ook bij de Spanjaarden zelf. In de biosfeerreservaten is niet alleen de natuur beschermd, maar ook het cultureel erfgoed en landschappen waarin plaats is voor traditie en authentieke elementen. En dan wel op zo’n manier dat het ook voor de inwoners mogelijk is om duurzaam en comfortabel te leven.
Boeren op de berg
Het park wordt gevormd door een groep bergtoppen en de bijbehorende valleien die samen zo’n 376 vierkante kilometer beslaan. De wandelmogelijkheden zijn er eindeloos, van een dagvullende tocht langs de rivier Rio de Caleao tot een paar uur durende rondwandeling langs de waterval Tabayón. Wij gaan op pad voor een rondwandeling over de Monte Allande, met een top van 1.000 meter. ‘Niet alleen het uitzicht is betoverend’, aldus onze gids Lorena, ‘maar boven op de berg ligt ook een verlaten Cabaña’. Dat is een klein huisje waar vroeger de boerenfamilie verbleef als ze hun vee omhoog hadden gebracht naar de koelere bergweides.
De tocht omhoog is weliswaar pittig, maar dankzij de verharding van de smalle weg door het bos, stappen we toch redelijk door. Dit soort wegen wordt nog steeds gebruikt door mensen om hun akkers op de berghellingen te bewerken. We zien een man aan het werk op het land, een ree stuift verschrikt de bossen in zodra hij of zij ons ziet. Een groot deel van het parque natural bestaat uit beukenbossen die onderdak bieden aan allerlei dieren, van herten tot wolven, van gemzen tot auerhoenders, aasgieren en steenarenden. En ook de bruine beer is een bewoner van het park.
Die zien we niet, want hoe hoger we komen, hoe opener het landschap wordt. De bossen maken steeds vaker plaats voor weides en kleine akkers. Wilde dieren vertonen zich nu eenmaal niet graag in open gebied. Wilde bloemen wel, we vergapen ons aan de kleurrijke exemplaren langs de weg en in de velden. Bijvoorbeeld aan de zacht roze bloemen van het grootbloemig bijenkorfje (Prunella grandiflora) die hier in overvloed bloeit.
Kers op de taart
Als we na zo’n anderhalf uur de cabaña bereiken treffen we een met planten overwoekerd huisje aan. Tevergeefs trekken we aan de deur om naar binnen te gluren, maar die is om veiligheidsreden goed afgesloten. We ploffen neer in het gras, aan de voet van een grote boom die schaduw geeft. Lorena attendeert ons erop dat dit een wilde kersenboom is en dat de vruchten nu op zijn best zijn. We kennen die kleine rode vruchtjes wel uit eigen land, maar grootmoeders’ wijsheid “eet nooit rode bessen uit de natuur” heeft ons er tot nu toe van weerhouden om ze te proberen. Aangezien Lorena ze enthousiast naar binnen werkt, zal het wel goed zitten. Dus plukken en proberen we behoedzaam de rode vruchtjes. Die blijken heerlijk én in overvloed aanwezig, dus we laten onze bedenkingen varen en genieten van deze traktatie van moeder natuur.
100 dagen Redes
Met brood en kersen gevuld beginnen we aan de afdaling, onderweg genietend van de uitzichten op de groene berghellingen. Nu ziet het er allemaal lieflijk en toegankelijk uit, maar we weten dat het er in de winter heel anders uitziet. In 2018 woonde de Asturiër José Díaz honderd dagen in afzondering in het hart van Redes. Hij filmde zijn verblijf, deels in de winter, zelf met een drone en drie camera’s. Het resultaat is te zien in de documentaire ‘100 días de soledad’(100 dagen eenzaamheid) waarin je ziet hoe hij omgaat met volledig isolement, overleven en gezond blijven. En krijg je, met dank aan de drone-beelden, meteen een fraaie indruk van de overweldigende natuur.
Stuwmeren
100 dagen is wellicht wat lang om in Redes te blijven, maar zo’n eerste kennismaking nodigt zeker uit om langer te blijven en andere delen te verkennen. We maken nog een tussenstop bij Embalse Rio Seco, een stuwmeer dat vandaag spiegelglad is en de naastgelegen berghelling perfect spiegelt. Al even mooi is het Embalse de Tanes, een stuwmeer in de gelijknamige rivier. Dat ziet er verleidelijk blauw uit, maar zwemmen in het meer is niet toegestaan. Het meer vervult een belangrijke rol in de drinkwatervoorziening. Het water wordt in de zomer zelfs naar het ruim 50 km verder gelegen Oviedo, de hoofdstad van de regio, gepompt als daar een tekort aan water dreigt. Dan maar een colaatje op een terras ter verkoeling, met zicht op het meer!
Las Ubiñas-La Mesa
De volgende dag brengen we een bezoek aan een ander parque natural, namelijk in het zuiden van Asturië. Onze gids van vandaag heet Cristobal en hij kent het bergachtige gebied op zijn duimpje. Hij kent de naam van elke bergtop die ons omringt. Hij zal ons naar de Xurbeu-waterval brengen. Die ligt een beetje verborgen in een kloof, achter een bergtop. Om er te komen dalen we af langs een avontuurlijk pad dat steil naar beneden gaat. Goed opletten bij het neerzetten van je voeten tussen de keien en boomwortels, maar dan krijg je ook wel wat terug voor de moeite.
Als een reclamefilm
De waterval is een meter of dertig hoog en komt met een breed uitwaaierende stroom naar beneden. Aan de voet van de waterval is een bassin dat volstroomt, waarna het water zich verder een weg naar beneden zoekt in de kloof. Dat bassin doet denken aan een tropische reclamefilm, waar je met een zongebruind, slank lijf in het water springt ter verfrissing. Dat goddelijke lijf ontbreekt en even voelen aan het water doet ons ook onmiddellijk afzien van een verfrissende douche verbleken: koud!
Al dat water is dan wel een goede basis voor varens en andere waterminnende planten die de kloof groen kleuren. Perfecte plek om even de zon te ontwijken, wat af te koelen en rond te klauteren over de omliggende rotsen.
Dan wordt het tijd om terug te lopen omhoog. We klimmen uit de kloof en weten ons omringd door zonovergoten, groene hellingen. Een zoete geur van bloeiende brem drijft voorbij en langs het pad zien we een bloeiende gevlekte orchidee (Dactylorhiza maculata), alsof onze terugkeer in het zonlicht wordt gevierd met een bloemenweelde. Het staat symbool voor wandelen in Asturië: achter elke bergtop, vallei, waterval of rivier kun je weer wat anders verwachten. Variada, bella y virgen, Amamos Asturias! *
*Afwisselend, mooi en ongerept, wij houden van Asturië!
Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met www.turismoasturias.es/en/Turismo Asturias.